2 januari 1909
Het ging Mulier er in eerste instantie niet om, dat deze tocht in Friesland zou worden gehouden. Hij schreef alle provinciale ijsbonden in Nederland aan, maar kreeg in Zuid-Holland, Noord-Holland en het plassengebied van Utrecht nul op request, omdat men van mening was dat er geen aansluitende route van 200 kilometer kon worden uitgezet. Ook in Groningen zag men niets in een dergelijk evenement, maar eind 1908 kreeg Mulier wel steun van de Friesche IJsbond. Op 2 januari werd - ondanks de dooi - de eerste Elfstedentocht gehouden. Onmiddellijk daarna brak groot gekrakeel uit over de organisatie van de wedstrijd, omdat de Friesche IJsbond volgens zijn statuten geen wedstrijdorganisatie was, maar zich uitsluitend met het ijstoerisme bezighield en zich in moest spannen voor 'veilige ijsverkeerswegen.' Daarom werd kort daarna de vereniging De Friesche Elfsteden opgericht, die voortaan de organisatie van wedstrijd-en toertocht op zich zou nemen. Om vijf uur 's ochtends sprak voorzitter S. Hylkema van de Friesche IJsbond 22 schaatsenrijders toe in hotel Amicitia in Leeuwarden. Er hadden zich weliswaar 48 liefhebbers ingeschreven voor de eerste officiële Elfstedentocht, maar door de dooi waren er al 26 afvallers voor het startschot had geklonken. De voorzitter vroeg de heren bovendien beleefd om zij van mening waren, dat het evenement moest doorgaan. Want er hing een 'griemelige mist met drupgetik aan druipende boomtakken.' Kortom het dooide. Niemand stemde tegen het doorgaan van de tocht, zodat de 22 dapperen al snel in het duister van de nacht richting Dokkum verdwenen. Dominee Minne Hoekstra uit Warga zal uiteindelijk als eerste over de finish komen. Hij was na terugkeer uit Dokkum bij Birdaard hard gevallen over een in het ijs ingevroren plank, maar haalde tussen Leeuwarden en Harlingen de koplopers Geerlof van der Leij, Binnema en Schaap in. De laatste twee vielen in de loop van de tocht af, maar luitenant Rooseboom achterhaalde Hoekstra en Van der leij. De gebeurtenissen werden op de voet gevolgd door journalist Jan Feith van het Algemeen handelsblad, die een jaar eerder de tocht in drie dagen had geschaatst en nu verslag deed voor zijn krant. Hij schaatste na de terugkeer uit Dokkum doodgemoedereerd met de koplopers mee. Ook Foeke Tjalma van de Nieuwe Rotterdamsche Courant was in hun gezelschap, maar hij haakte in Franeker af op zoek naar een telegraafkantoor om zijn verslag van de eerste uren tijdig in Rotterdam te krijgen. Op het Zwette tussen Sneek en Leeuwarden ontspon zich een driftig gevecht tussen Hoekstra, Van der Leij en Rooseboom, dat glansrijk door de theoloog werd gewonnen. Slechts negen rijders bereikten de finish.

7 februari 1912
De kwakkelwinter van 1912 leverde twee afgelaste en de tweede Elfstedentocht op. Woensdag 7 februari vertrokken 61 deelnemers, van wie er slechts 18 de finish niet zouden halen. Glorieuze winnaar werd Coen de Koning uit Arnhem, die in 1905 wereldkampioen op de schaats was geworden in Groningen en houder van het werelduurrecord was. Coen kwam uit een groot gezin en werd in Edam geboren. Zijn broer Jacques was ook een goede rijder en kampioen van Nederland op de lange baan. Andere broer Cor reed in de jaren '20 in de kernploeg en oudste broer Jan had kortebaanwedstrijden gewonnen. Maar Coen de Koning was de beste van de familie en dat toonde hij in de Elfstedentocht van 1912, waarin hij op het Slotermeer de gids J. Klinkhamer in dienst nam. Hij reed toen nog samen met Jan Ferwerda en Sjoerd Swierstra, die te weinig geld hadden om een gids te betalen. Klinkhamer was een sterk rijder, die ook als een voorbeeldig gangmaker voor De Koning werkte. Tegen dat geweld waren Ferwerda en Swierstra niet opgewassen. Zij eindigden als tweede en derde. Opmerkelijk was de deelneming van Jikke Gaastra, de eerste vrouw, die aan de start verscheen. Zij bracht het, begeleid door haar broer Jan, tot Sneek, maar omdat G. Dubois ter hoogte van de bekende ijsherberg De Dille aan het Zwette door het ijs was gezakt, besloot het bestuur de tocht te stoppen. Alle deelnemers die tot Sneek gekomen waren werden geacht de tocht te hebben volbracht. Jikke kreeg dus haar Elfstedenkruisje en moe was ze helemaal niet, want bij het bal na de prijsuitreiking danst ze tot verbazing van de aanwezigen gezellig tot in de late uurtjes met de heer J.B. Hubrechts uit Camebridge in Engeland, die net als zij in Sneek van het ijs moest.    Jan Ferwerda had na de Elfstedentocht van 1912 een opmerkelijk boekje over zijn avonturen uitgegeven, waarin hij Coen de Koning verweet gebruik te hebben gemaakt van een gangmaker. Dit schoot de schaatskampioen uit Arnhem geheel in het verkeerde keelgat. Toen hij in de mobilisatie-winter van 1917 hoorde dat er weer een Elfstedentocht zou worden gehouden, kondigde hij aan dat hij zou winnen en niemand anders.

27 januari 1917
De bekende sportverslaggever Joris van der Berg zei: "Ik win of ze dragen me in een doodskist van het ijs." Zijn oude rivaal Jan Ferwerda was ook weer van de partij, maar hij kwam in het stuk niet voor. De inschrijving vlotte overigens in het geheel niet. Drie dagen voor de start hadden zich slechts 13 toeristen en 13 wedstrijdrijders aangemeld. Uiteindelijk gingen er toch 153 wedstrijdrijders van start, wat een beetje tegenviel. Maar goed, Nederland maakte - hoewel neutraal - moeilijke tijden door tijdens de Eerste Wereldoorlog. De Koning had er zin in. Gedreven door revanchegevoelens - zijn door Ferwerda bezoedelde naam moest gezuiverd worden - reed hij iedereen al in het nachtelijke duister op de Dokkumer Ee op afstand om een nimmer meer vertoonde 170 kilometer lange solo te rijden. In Leeuwarden had hij bij terugkeer uit Dokkum al 2 minuten voorsprong op Sjoerd Swierstra. Ferwerda moest al tien minuten toegeven. Dus die wist toen wel hoe laat het was. Aan de eindstreep had De Koning 28 minuten voorsprong op Swierstra en 1 uur en 11 minuten (!) op nummer drie Gerlof van der Leij, de nummer twee van de eerste Elfstedentocht. Coen de Koning reed een record van 9 uur en 53 minuten. "Of hij nog met Ferwerda had samen gereden,"vroeg een verslaggever. "Nee,"grinnikte Coen, "die neemt mij de streken te kort."  

12 februari 1929
Twaalf jaar lang moest Nederland wachten op een herhaling van het populaire sportevenement in Friesland, maar de absurd strenge winter van 1929 maakte de vierde Elfstedentocht eindelijk mogelijk. Dinsdag 12 februari was het zover. Toen kolensjouwer Karst Leemburg om half vier 's nachts van zijn huis in de Lombokstraat in Leeuwarden naar de start bij hotel de Klanderij liep was het bitter koud. Het vroor 20 graden en er stond een ijzige oostenwind. Geen dag om lekker te sporten, maar de Elfstedenrijders lieten zich niet weerhouden. Liefst 301 deelnemers doken de duisternis in. Cor Jongert uit Ilpendam en Nico Pronk uit Warmenhuizen in Noord-Holland, die een dag eerder nog een langebaanwedstrijd in Deventer hadden gereden, leken lange tijd de onbetwiste kampioenen van deze tocht te worden, maar bij Menaldum werden ze verkeerd gestuurd. In Leeuwarden hadden ze negentien minuten voorsprong op Leemburg en vier minuten op de gebroeders Stienstra, maar in Franeker lagen ze een minuut achter de familie Stienstra. Leemburg had nog steeds 19 minuten aan zijn broek. Maar bij Arum gingen de Noordhollanders hun schaatsen even slijpen met als gevolg, dat diverse rijders hen passeerde. Zelfs Leemburg kwam in Bolsward met een minuut voorsprong op Pronk en Jongert aan, terwijl deze negen minuten achter de broers Stienstra lagen, die gezelschap hadden gekregen van Sjouke Westra uit Warmenhuizen. Tussen Workum en Hindeloop passeerde Leemburg de koplopers en niemand zou hem meer terug zien. Jongert ging op het Slotermeer nog wel vergeefs op jacht. Hij kwam de koploper tegen toen hij naar Sloten reed. Leemburg werd gegangmaakt door de gebroeders Poepjes uit Lemmer. Dat waren vissers en bekende kortebaanrijders. Ze beloofden de kolensjouwer een kistje gerookte bokking als hij zou winnen. Dat gebeurde. Acht minuten na Leemburg kwam Jongert als tweede over de eindstreep.

28 februari 1929
Het bleef maar vriezen in 1929 en dus staken een aantal kroegbazen de koppen bij elkaar. Er moest nog een Elfstedentocht komen. Dat was pas goed voor de klandizie. Het Elfstedenbestuur zag het met lede ogen aan, maar in de vroege ochtend van 28 februari ging de tweede tocht van dat seizoen van start bij café Het Tolhûs in Leeuwarden. Het deelnemersveld was niet groot, maar de 48 deelnemers zorgden voor strijd die even heftig was als in de officiële tocht. IJpe Smid uit Hindeloopen maakte lang kans op de overwinning, maar zou uiteindelijk met een minuut verschil verslagen worden door Marten van der Kooij, zijn dorpsgenoot. De zeventienjarige Stoffel vander Zee eindigde op 23 minuten als vijfde. Hij was zo eerlijk geweest zijn juiste leeftijd op te geven, toen hij zich eerder in het jaar voor de echte Elfstedentocht opgaf. "Te jong," zeiden de Elfstedenbestuurs, "Je krijgt geen startkaart."

16 december 1933
Maar dat hij het best aan kon toonde hij eind februari met zijn vijfde plaats. Nog nooit werd een Elfstedentocht zo vroeg in het seizoen gehouden als in 1933. Op 16 december was het al raak. Voor het eerst gingen er meeer dan 500 deelnemers van start: om precies te zijn 540. De overwinning werd gedeeld door Abe de Vries uit Dronrijp en Sipke Casteleijn uit Wartena. Abe reed de hele tocht gezellig babbelend met Sipke en ze werden vrienden voor het leven. Toen ze bij de Prinsentuin in Leeuwarden aankwamen schaatsten ze over de finishlijn zonder dat ze er erg in hadden. De Vries voorop, Casteleijn in tweede positie. Voorzitter mr. Evert Hepkema wilde De Vries in de krans van de overwinnaar hijsen, maar deze weigerde beslist. "De finish was niet te zien," klaagde Abe. "Sipke heeft net zoveel recht op de overwinning als ik." Het bestuur besloot na rijp beraad dan maar twee gouden medailles uit te reiken. In het hoge noorden van Friesland had het duo IJpe Smid ingelopen, die meer dan 100 kilometer alleen aan kop had gelegen. Hij eindigde uiteindelijk als derde op 9 minuten. Abe schaatste na de tocht naar huis in Dronrijp. Zijn vrouw vroeg: "Hoeveel ben je geworden." "Eerste," zei Abe, waarop hij doorliep om zijn koeien te melken. Daarna fietste hij weer naar Leeuwarden om zijn medaille op te halen bij de prijsuitreiking. Daar kreeg hij een heftig dispuut met Cor Jongert, die vierde was geworden. De discussie handelde over de beste schaatsen voor de Elfstedentocht. Jongert had als één van de weinige op hoge noren gereden en was op 11 minuten binnen gekomen. "Friese schaatsen zijn het beste voor deze tocht," zei De Vries, die op doorlopers over de finishlijn was gekomen." Maar Jongert antwoordde: "De Vries wees niet eigenwijs. Op noren had jij nog veel harder gereden."

31 januari 1940
In januari 2002 overhandigde de 81-jarige Piet Keizer aan verslaggever Ron Couwenhoven een officiële uitslag van de Elfstedentocht 1940. Het ging om de beroemde tocht, die eindigde met het Pact van Dokkum. Vijf rijders kwamen dat jaar gelijk over de finish in Leeuwarden. Het waren Dirk van der Duim, Auke Adema, Sjouke Westra, Piet Keizer en Cor Jongert. Ze werden gelijk op de eerste plaats gezet. In Dokkum hadden ze afgesproken niet te spurten voor de overwinning. Ze hadden de hele dag samengereden en waren niet ontsnapt aan het merkwaardige psychische verschijnsel dat er een enorm samenhorigheidsgevoel in hun groep was gegroeid. Bovendien hadden ze bericht gekregen dat de baan terug naar Leeuwarden erg smal was. Maar met het finishdoek in zicht en met tienduizenden toeschouwers op de wallen kon Auke Adema zich niet meer in houden. Hij begon te spurten, maar werd op de streep geklopt door de pas 19-jarige Keizer. Cor Jongert stempelde vervolgens als eerste af. De chaos was daarmee compleet, want nu claimden liefst drie rijders de overwinning! Laat in de middag werden ze bij de commissaris van de Koningin thuis voorgesteld aan prins Bernard. Hij adviseerde het Elfstedenbestuur alle vijf een gouden medaille te geven en dat advies werd opgevolgd, maar voor Piet Keizer bleef er zijn levenlang een bijsmaakje aan die medaille zitten. Die ochtend in januari 2002 zei hij: "Adema begon te sprinten en daarmee was de afspraak verbroken. Ik kwam als eerste over de streep en was winnaar, maar het Elfstedenbestuur heeft altijd een alfabetische volgorde van onze namen aangehouden. Dat heb ik nooit terecht gevonden en nu heeft het bestuur mijn visie daarin gevolgd en onze namen in volgorde van binnenkomst in de uitslag gezet. Dat is niet meer dan terecht." Piet moest meer dan zestig jaar op die gerechtigheid wachten, maar als een echte Elfstedenrijder bleef hij onverzettelijk al die jaren voor zijn recht vechten. Op het Elfstedenijs zouden we hem nooit meer terugzien, want hij was ook een goede langebaanrijder en zijn trainers vonden dat zijn slag 'er aan zou gaan, als hij lange natuurijswedstrijden zou blijven rijden.'

6 februari 1941
De eerste oorlogswinter verhinderde niet dat ruim 4600 schaatsliefhebbers op donderdag 6 februari 1941 de start namen in de zevende Elfstedentocht. Het werd een episch gevecht met de elementen. Sneeuwbuien teisterden het immense peloton, waaruit een kopgroep van vijf man ontstond. Auke Adema uit Franeker, Joop Bosman uit Breukelen, Lo Geveke uit Leeuwraden, Anne de Vries uit Franeker en Sietze de Groot uit Weidum waren de mannen, die het gezicht van deze Elfstedentocht zouden bepalen. De tocht ging ook dit jaar om 'de noord'. Op het Slotermeer waren de banen vrijwel volledig dichtgesneeuwd. Adema was hier veruit de sterkste en ging er alleen van door. In Sloten stempelde hij met een minuut voorsprong en aan de finish in Leeuwarden had hij dat uitgebouwd tot drie minuten op Joop Bosman en 5 minuten op Geveke. Het betekende zijn tweede overwinning in de Elfstedentocht. Franeker stond op zijn kop, maar toen iemand in de Wilhelminastraat, waar Auke woonde, vroeg wie de tocht gewonnen had en tot antwoord kreeg: "Auke Adema, die woont hier in de straat!" toen wist hij niet over wie men het had. "Nou, Auke Lor, natuurlijk," riep de boodschapper. "Zeg dat dan meteen," kreeg hij ten antwoord, want iedereen in Frentsjer kende Auke als Auke Lor, de zoon van de lompenhandelaar. Over de familienaam werd nooit gerept. Auke werd overstelpt met fanmail uit het hele land. Hij kreeg sigaren opgestuurd en Vonk Schaatsen pronkte in advertenties trotst met Auke Adema, die op dit merk de tocht gewonnen had. En de firma Beiersdorf stelde hem voor een sponsorcontract te tekenen, zodat men met zijn naam reclame kon maken voor zalfjes als Niveau en Eucerine, maar tien dagen later kreeg de Elfstedenkampioen een tweede brief: "Helaas gaat het niet door, want het is al te ver in het seizoen." De dooi was ingetreden en de euforie voor het ijs was definitief verdwenen en dus wilde Beiersdorf geen risico meer nemen met een dure reclame-campagne voor middeltjes tegen gebarsten lippen en wintertenen.

22 januari 1942
De tocht van 22 januari 1942 werd onder goede omstandigheden gereden, maar eindigde toch in een ramp. In het nachtelijk duister trok het peloton eerst richting Sneek en vervolgens naar de meren en daar ging het volledig fout. Hele groepen verdwaalden op de onafzienbare ijsvlakten en tal van favorieten werden zo uitgeschakeld. Sietze de Groot, een prima kortebaanrijder en slagersknecht uit Weidum, kende de weg wel. Samen met Dirk de Jong uit Huizum en Jan van der Bij uit het Noordhollandse Julianadorp liet hij de hele meute achter zich om vervolgens met zijn snelle eindsprint de zaak gemakkelijk af te maken. In Leeuwarden reed hij in de laatste twee honderd meter De Jong nog op 9 seconden en Van der Bij op tien tellen. De slagersvakbond was zo opgetogen over dit succes, dat zij hun lid een telegram zonden met de volgende tekst: "Daar zullen de vegetariërs van opkijken!" Het muisje had trouwens nog wel een staartje, want toen de Nederlandsche Vereniging ter Bevordering van het Hardrijden op de Schaats (NVBHS) in de zomermaanden zijn beste rijder wilde huldigen, mocht hij wel het boek 'Mysterieuze krachten in de sport' van Joris van der Berg in ontvangst nemen, maar niet de beker, die jaarlijks werd uitgereikt. Oorzaak: er vond een onderzoek plaats naar de profstatus van Sietze, die immers om geldprijzen op de korte baan had gereden. Dat was een gevolg van de puriteinse opstelling van de Nederlandsche Schaatsenrijdersbond, die overigens weer onder zware pressie stond van de nazistische overheid. Kortebaanwedstrijden om geldprijzen waren al verboden en alles wat naar beroepsrijderij riekte stond in het verkeerde daglicht, maar hij Sietze kreeg zijn beker uiteindelijk toch en als Elfstedenwinnaar bleef hij voor eeuwig op de lijst.

8 februari 1947
In deze topwinter kwam er een geheel nieuwe generatie rijders naar voren. Joop Bosman uit Breukelen, in 1941 al tweede in de tocht, vertegenwoordige eigenlijk al de oudere generatie Elfstedenrijders. Er werd onder afgrijselijke omstandigheden gereden: felle vorst en oosterstorm. Klaas Schipper uit Steenwijkerwold kwam zwaar ten val en eindigde de tocht met een groot verband om zijn hoofd als tweede. Alleen Joop Bosman was sterker. Hij gleed dertig seconden eerder over de eindstreep. Maar toen begon eingelijk pas het zwaarste gevecht van deze tocht. Het regende protesten, omdat er opgelegd gereden was: voor-en achterman hand in hand op de rug, zodat men elkaar kon duwen en trekken. Het Elfstedenbestuur zat met de handen in het haar. Wat te doen? Naar goed Nederlands gebruik werd er een commissie in gesteld, die het allemaal haarfijn mocht uitzoeken. Pas in augustus kwam het verdict: winnaar Joop Bosman, nummer twee Klaas Schipper, nummer drie Jeen Nauta, nummer vier Jaap Wijnia, nummer zes Wierd Wijnia en nummer zeven Hein Vermeulen ontvingen geen prijs. De gebroeders Wijnia werden bovendien gediskwalificeerd, omdat ze zich per auto zouden hebben laten vervoeren. Half Nederland stond op zijn kop en Jan W. van der Hoorn uit Ter Aar kreeg een telegram uitgereikt, terwijl hij zijn lelies op het land aan het verzorgen was: "Van Harte gefeliciteerd, U heeft de Elfstedentocht gewonnen,"meldde het bestuur van de Friesche Elfstedenvereniging de verbouwereerde bloemenkweker. Het muisje had nog een erg lang staartje, want bijna veertig jaar later maakte Joop Bosman met zijn buurman Wim Vos een praatje, terwijl zij elk aan een kant van het slootje zaten dat hun land bij Kockengen scheidde. Vos was inmiddels één van de beste natuurijsschaatsers van Nederland. "Start nooit in de Elfstedentocht, Wim," raadde Bosman hem aan. "Want ze flikken je daar als Hollander toch." Zo diep zat de grootste teleurstelling uit zijn leven. Bosman overleed niet lang daarna, zodat hij niet meer meemaakte, dat een geheel uit Friezen bestaande commissie een nieuw onderzoek begon naar de misdragingen van de gebroeders Wijnia. Ze kwamen tot de conclusie, dat er niets bijzonders was aangetoond, waarop het Elfstedenbestuur besloot ze meer dan 50 jaar later als nog hun Elfstedenkruisje van 1947 uit te reiken."Dit is de mooiste dag uit ons leven," zeiden de broers, toen ze de versierselen opgespeld kregen.

3 februari 1954
De weermannen van het KNMI voorspelden hectisch weer tijdens de tiende Elfstedentocht. Voor heel wat deelnemers, die de hel van 1947 hadden meegemaakt was dat reden om thuis te blijven, maar toch gingen er nog 2735 schaatsliefhebbers op pad. Ze beleefden een prettige dag, want de weerprofeten hadden het volledig bij het verkeerde eind. Het was zonnig, weinig wind en een echt prettige schaatsdag. De wedstrijdrijders demonstreerden dat door in de recordtijd van 7 uur en 35 minuten terug te zijn in Leeuwarden. De finish was het meest opmerkelijk deel van deze wedstrijd, die nog jaren stof tot discussie zou geven. De organisatoren hadden namelijk om nauwelijks twee honderd meter van de eindstreep nog een klûnplaats ingelast, zodat de vijf koplopers een smalle noodbrug op moesten, de weg oversteken en over een met stroo bestrooide loopplank weer naar het ijs moesten. Jeen van den Berg uit Heerenveen ontdekte deze onverwachte hindernis als eerste, snelde er over heen en achter hem kwam de snelle Jan Charisius ten val, waardoor hij de overigen ook nog eens hinderde. Zo kwam Jeen als laatste Fries in de geschiedenis als eerste over de eindstreep in de Elfstedentocht. Aad de Koning, een oomzegger van Coen de Koning, de winnaar van 1912 en 1917, werd tweede op drie seconden. Charisius derde op 8 seconden. Jeen Nauta en Anton Verhoeven, de marathonkampioen uit het Brabantse Dussen, werden op een minuut vierde en vijfde. Een storm van protest hielp niets. Het was gebeurd en er viel volgens het bestuur niets meer aan te verhelpen.    Nauwelijks twee jaar later kregen de koplopers van '54 kans op revanche. Opnieuw zaten Jeen Nauta, Aad de Koning en Anton Verhoeven in de kopgroep. Dit keer hadden zij gezelschap van Maus Wijnhout uit Lisse en Jan J. van der Hoorn uit Ter Aar, een neef van de winnaar van '47. Ook Jeen van den Berg reed lang in hun gezelschap, maar na Franeker kreeg hij een geweldige inzinking en moest de groep laten gaan. Bij Vrouwbuurtstermolen zat hij ontredderd in de kant, terwijl hij schaatsen wisselde. In hetzelfde dorp hadden de vijf koplopers al aangekondigd, dat zij tegelijk over de finish zouden rijden. Heel Nederland wist via de radio al wat er zou gebeuren . De vijf reden inderdaad juichend naast elkaar over de eindstreep. Het halve land sprak er schande van. De andere helft juichte het toe. Niemand van de vijf zou ooit vertellen, wie het initiatief tot het opmerkelijke besluit had genomen, maar de vijf bleven vrienden voor het leven. Wel lekte er het één en ander uit over de beweegreden: men voelde zich onzeker over de finish, die immers twee jaar geleden ook totaal onverwacht volkomen was veranderd, nadat ze hem een dag voor de start allemaal hadden verkend. Het bestuur had er allemaal niets mee te maken. Men besloot geen prijzen uit te reiken, maar handhaafde de vijf wel op de eerste plaats in de uitslag. Dat was een beslissing, die tot op de dag van vandaag wordt aangevochten. Zo werden de vijf van '56 altijd uitgesloten van alle officiële Elfstedenbijeenkomst, waarvoor de winnaars werden uitgenodigd. En dat terwijl ze door het bestuur wel op de eerste plaats werden gehandhaafd.

18 januari 1963
In de sportgeschiedenis van Nederland is vrijdag 18 januari 1963 ongetwijfeld de bekendste datum: die dag werd de twaalfde Elfstedentocht verreden. Het werd de meest legendarische ooit. Een slagveld, zoals nog nimmer vertoond. De temperatuur was bij de start -12 graden. Alle koude records werden die nacht gebroken. In de loop van de dag stak een noordoosterstorm op, die de baan in het noorden van Friesland volkomen onbegaanbaar maakte. In Stavoren stapten duizenden mensen af. De trein naar Leeuwarden kon het aanbod van rijders niet verwerken. Er moesten extra bussen worden ingezet. De hospitalen langs de route lagen vol gewonde schaatsers en de EHBO maakte overal overuren. Er gingen 9862 rijders van start. Slechts 127 zouden de eindstreep bereiken. Dat was een percentage van 1,3 procent. Reinier Paping uit Dedemsvaart maakte zich onsterfelijk door als eerste over de finish te komen met een voorsprong van 22 minuten op Jan Uitham uit Noorderhogebrug. Zevenendertig jaar later werd hij door de kijkers van Studio Sport, het populaire sportprogramma van de NOS, uitgeroepen tot de individuele sporter, die de meest aansprekende prestatie van de twintigste eeuw had geleverd! Bij Witmarsum had Reinier definitief afscheid genomen van Uitham, Jeen van den Berg en Anton Verhoeven. Van den Berg raakte sneeuwblind en kwam uitsluitend meet hulp van Uitham als derde over de streep. Verhoeven was eveneens sneeuwblind en waggelde als aangeschoten wild over de Dokkumer Ee om uiteindelijk als een wrak over de finish op de Grote Wielen te komen. Kroonprinses Beatrix had in de EHBO-tent met het moeder koningin Juliana winnaar Paping gefeliciteerd. Hij werd daar met infrarood lampen weer een beetje ontdooit en de prinses had herhaaldelijk geroepen: "Oh, mijnheer Paping, ik heb zo'n bewondering voor u!" De held van de dag werd door zijn echtgenote Joke opgehaald en samen gingen zij naar Dedemsvaart, waar ze door de plaatselijke fanfare werden opgewacht. In het holst van de nacht bereikten ze het zomerhuisje (!), waar ze na hun huwelijk in verband met de woningnood hun intrek hadden genomen. De waterleiding, de bak met water voor de hand en de aardappels zaten in de pan op het butagasstelletje van de nieuwe Nederlandse voksheld waren allemaal vastgevroren. Toen de pers de volgende ochtend het onderkomen, diep in de bossen bij Ommen had gevonden was Reinier niet thuis. Hij had tegen Joke gezegd: "Ik ga even het bos in voor een loopje. De spieren zijn nog wat stram."

21 februari 1985
Niemand geloofde meer in de dertiende Elfstedentocht, toen voorzitter Jan Sipkema op 18 februari toch het verlossende woord sprak: 'It sil heve.' Na 22 jaar wachten was de Elfstedentocht voor de dertiende keer aangekondigd. Er ging een golf van emotie door het land. Overal vormden zich lange rijen voor de inschrijfadressen, die pas de volgende dag zouden worden geopend. Gewapend met slaapzakken, flessen beerenburg, warme kruiken en bontmantels brachten rijders en rijdsters een lange koude nacht door om het begeerde startbewijs te veroveren. Binnen een uur na de opening van de inschrijving waren de 15.000 startkaarten uitverkocht. De prijzen op de zwarte markt liepen op tot honderden guldens, maar niemand wilde afstand doen van het felst begeerde kleinood in het land. De wedstrijdrijders weden overvallen door honderden bedrijven, die plotseling wilden sponsoren. Er volgden nerveuze dagen en topschaatsers als Emiel Hopman en Piet Kleine kregen geen startbewijs, omdat ze geen lid waren van de Elfstedenvereniging. Daarmee waren twee kanshebbers al bijvoorbaat uitgeschakeld. Nederlands kampioen Henri Ruitenberg en de natuurijscracks Jan Kooiman en Jos Niesten gingen als favorieten van start. Ze bereikten de Bonkevaart ook inderdaad als eersten in gezelschap van een volslagen onbekend mannetje: Evert van Benthem, een veeboer van 26 jaar uit Sint Jansklooster in de kop van Overijssel. In de sprint verraste hij iedereen en volgde zo Reinier Paping op. Nederland had er een nieuwe volksheld bij. De nieuw verworven roem was aanleiding om zijn plannen voor emigratie naar een land, waar een boer nog een normaal leven kan leiden even uit te stellen. Evert begon een kaasboerderij en plotseling wisten autobussen en toeristen de smalle weg naar zijn bedrijf te vinden. Voor een andere schaatsheld kwam in deze tocht het einde van een lange reeks successen. Op de lange klûnplek in Kimswerd kwam Jan Roelof Kruithof uit Havelte, winnaar van liefst tien alternatieve Elfstedentocht, ten val voor de deur van het eeuwenoude bakkerijtje van het dorp. Op het ijs was hij vrijwel niet te verslaan als er 200 kilometer geschaatst moest worden, maar hardlopen op schaatsen was iets anders. En bovendien begonnen de jaren te tellen: het rijk van Kruithof eindigde in de Elfstedentocht van 1985, die hij zo graag had gewonnen.

26 februari 1986
Nauwelijks een jaar later stonden de Elfstedenrijders opnieuw in de Veemarkthallen van Leeuwarden. Als dampende paarden klaar voor de start wachten ze in een grote kooi op het moment suprème. Vooraan stond Evert van Benthem in zijn geel-blauwe pak. De schaatsen kruislings voor de bocht. Na de lange run naar het ijs aan het Zwette arriveerde hij als één van de eersten en hij maakte er een onvergetelijke tocht van. Met ploegmaat Co Giling was afgesproken dat er voor Bolsward niets zou worden ondernomen, maar al op het Slotermeer ging Jan Kooiman er vandoor met Marten Hoekstra, Hans Bouma en Wout de Vries. Ze namen niet minder van vijf minuten voorsprong. De toren van Bolsward doemde nog maar nauwelijks aan de horizon op, toen Evert van Benthem de achtervolging ontketende. Nanne Semplonius, een onderwijzer uit Lemmer, Rein Jonker, kok in Wytgaard, Robert Kamperman, een werkloze architect uit Almere en Albert Bakker, onderwijzer in Scharmer in Groningen, sprongen mee. Ze ontketende een helse jacht, die al voor Franeker was voltooid. De koplopers waren ingelopen, maar in de nieuwe kopgroep boterde het niet erg. Het ging Van Benthem te langzaam en hij sprong solo weg. Er sloeg een golf van enthousiasme door het publiek. Solo reed hij riching Bartlehiem, maar nog voor dit gehucht liet hij zich weer inlopen. Dat was van korte duur, want een kilometer na dit kruispunt ging Van Benthem weer in de aanval. Alleen Rein Jonker kon hem volgen. Samen stoven ze richting Dokkum. Op de terugweg sloeg Van Benthem vlak voor de passage van Oudkerk toe. Jonker kon hem niet langer bijhouden en zou met 1 minuut en 7 seconden achterstand over de eindstreep komen. "Ik kon niet in dat prikslagje van Evert rijden," verklaarde Rein zijn nederlaag, "Zo ging ik langzaam maar zeker kapot. Ik had natuurlijk graag gewonnen, maar deze tweede plaats vind ik ook fantastisch."

4 januari 1997
De koudste periode van de twintigste eeuw speelde zich af rond de jaarwisseling van 1996 en 1997. De vorst kroop zo diep in het land, dat de ijsvloeren begin januari van uitstekende dikte waren. Er was nog geen natuurijswedstrijd van formaat gereden, toen voorzitter Henk Kroes van de Elfstedenvereniging de vijftiende tocht aankondigde: zaterdag 4 januari was het zover. Erik Hulzebosch, toprijder en clown uit Hardenberg, ging als favoriet van start. Het tempo lag direct na de start zeer hoog. Door het vroege tijdstip in het jaar moesten de rijders veel langer in het donker rijden dan in 1985 en 1986. Toen de eerste groep Hindeloopen bereikte was het nog pikkedonker. Het stempelhok was nog niet verlicht en er liepen heel wat mensen op het ijs, die er niets te zoeken hadden. Piet Kleine stoof op kop van de groep langs het stempelhok. René Ruitenberg in zijn spoor. Ze vergaten te stempelen en dat werd hen fataal. Beiden werden gediskwalificeerd. Als dank werd het bruggetje in Hindeloopen in de zomermaanden omgedoopt in 'Piet Kleine breggetje'. Het slachtoffer mocht de gedenkplaat zelf onthullen. Piet zou in het verdere verloop van de wedstrijd toch nog een grote rol spelen, want hij behoorde tot de vijf koplopers die de Bonkevaart op draaiden. De spurt was bloedstollend: Henk Angenent, boer uit Woubrugge in Zuid-Holland won, met minimaal verschil voor Erik Hulzebosch, Bert Verduin en Henk van Benthem, de jongere broer van Evert. Piet Kleine spurtte niet mee. Een paar uur later kreeg hij bericht, dat hij gediskwalificeerd was. Voor Hulzebosch betekende deze Elfstedentocht net als voor Henk Angenent de doorbraak naar nationale roem. De winnaar van de tocht kon zich vooral op agrarisch gebied sterk ontplooien en de jaarlijkse schaatszesdaagse op kunstijs werd voortaan gesponsord door de Greenery, een veilingbedrijf van landbouwprodukten, dat de klassementsleider in een spruitjespak hulde. Dit omdat Angenent in één klap de meest vermaarde spruitjeskweker van het land was geworden. Hulzebosch zocht zijn heil op het concertpodium. Hij werd nog dezelfde winter één van de toppers op het carnavalspodium met de hit "Hulzebosch, Hulzebosch." Evert van Benthem verscheen als toerist aan de start. Vijf jaar later zou hij zijn boerderij in Sint Jansklooster verkopen en zijn oude droom werkelijkheid maken: hij emigreerde naar Canada en heeft nu een grote melkveehouderij in de omgeving van Calgary, zodat hij het beroep waaraan hij zijn hart altijd heeft verpand in alle rust kan uitoefenen.